DBZ is meest avontuurlijke school van Vlaanderen
Lees meer
"Stilstaan bij het begrip assistentie, is de grammatica van een Don Boscoschool ontleden." Dirk Kerckhoven is verbonden aan de koepel van het Katholiek Onderwijs en is voormalig directeur van onder meer Don Bosco Brussel en Don Bosco Sint-Pieters-Gent. In zijn opiniestuk benadrukt hij het belang van assistentie en neemt hij de nieuwe 'sokjes- en worstenmethode' stevig onder de loep.
Ik had nog nooit van de sokjes- of worstenmethode gehoord. Het blijkt een trucje te zijn om kinderen in de lagere school wegwijs te maken bij het oplossen van rekensommen. Als een complex probleem in meerdere stukken wordt verdeeld, spreekt men in het Brussels over saucissioneren. Op die manier wordt een probleem beheerbaar. Vaak wordt het negatief gebruikt als synoniem voor simplificeren.
Toen we eind jaren tachtig van de vorige eeuw op de Brusselse normaalschool Sint-Thomas zaten, begon Jan Hardy (*) steevast als volgt. ‘Als ge uw vak niet kent, kunde voor de klas niks gaan doen’. In zijn typische Antwerpse toon, zat die quote altijd. We werden ondergedompeld in de discipline ‘geschiedenis’. We ontdekten structuren en mechanismen eigen aan dit vakgebied, gingen aan de slag met concepten. We werden inzichtelijk op sleeptouw genomen, wroetten met patronen. We legden verbanden en worstelden met wat klassiek heet ‘de tijdsgeest’. Hardy deed voor hoe en waarom hij tot bepaalde verbanden en inzichten kwam. Hij leidde immers leerkrachten op. Hij wilde dat we de mechaniek beheersten om kennis te ontdooien en toegankelijk te maken. Een goed leerkracht was iemand die geen trucjes nodig had om jongeren uit te dagen. Uit de kennis van de discipline volgde automatisch een didactiek die zowel effectief als creatief bleek. Die kennis liet toe om hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden. Concepten waren niet vrij van waarden. Dat gold ook voor de positie van de leerkracht. Dat inzicht was de basis voor de noodzakelijke kennistransfer. Van een sokjesmethode kon geen sprake zijn.
Assistentie is het antwoord op de vraag wat typisch is voor het pedagogisch project van Don Bosco. Wat dit concreet betekent, is niet altijd eenvoudig uit te leggen. Het gaat immers om een context die ontstaat, zonder dat er een specifieke methode bestaat. De volwassene zet de jongeren aan het denken, deelt inzichten of een overtuiging. Belangrijk is dat de volwassene voor zichzelf heeft uitgemaakt wat ertoe doet en dit op een authentieke manier durft communiceren. Dat is niet gering en vraagt veel oefening, een stevige portie moed ook. Het gaat over een specifieke kwaliteit van aanwezigheid. Op de speelplaats is dat nog enigszins concreet. De leerkracht, de opvoeder of een ander personeelslid is zichtbaar aanwezig. Loopt rond, doet een babbel met de jongeren of komt tussenbeide waar nodig. In de klas daarentegen, lijkt assistentie veel minder vanzelfsprekend. Het lijkt er zelfs niet van tel.
Zelf heb ik nooit goed begrepen waarom we bij Don Bosco aarzelen om assistentie didactisch door te vertalen. Zeker nu het Vlaamse onderwijslandschap gedomineerd wordt door een beleid dat inzet op kennisrijke curricula en de implementatie ervan via een effectieve didactiek. Als assistentie cruciaal is voor de realisatie van het pedagogisch project, dan ook in de klas. Meer zelfs, als je de grammatica van een Don Boscoschool ontleedt, kom je uit bij het begrip ‘assistentie’ als onderscheidend en structurerend principe.
Als je de grammatica van een Don Bosco-school ontleedt, kom je uit bij het begrip ‘assistentie’
Assistentie in de klas gaat terug op wat klassiek heet ‘meesterschap’. Meesterschap of vakmanschap veronderstelt een grondige kennis van het vakgebied. Het vraagt van de (toekomstige) leerkracht dat deze zich verhoudt tot de veelheid aan kennis en de structuur, eigen aan de discipline. Concepten met elkaar vergelijkt en analyseert. Meesterschap betekent dat je je positioneert en kritisch durft zijn. De leerkracht onderscheidt voor zichzelf welke kennis en inzichten er toe doen. Vanuit die reflectie ontstaat een perspectief op leren. Meesterschap betekent zoveel als vakkundig zijn. Diegene die alle registers opentrekt en geduldig jongeren wegwijs maakt, in de complexiteit van botsende inzichten en concepten. Jongeren verbanden leert zien en kennisconstructie stimuleert.
Het brengt me bij een tweede aspect, kenmerkend voor assistentie. Jongeren vertrouwd maken met complexiteit, is een kwetsbaar proces. Het gaat vooral traag. Het raakt de leerkracht in wie hij of zij is en waarvoor zij of hij staat. Assistentie is daarom ook altijd identiteit. Jongeren willen weten waarom iets relevant en plausibel is. Waarom het ervoor de leerkracht toe doet. Als het antwoord louter is ‘omdat het zo is’, zitten we in wat Freire ooit banking education heeft genoemd. We proppen jongeren vol met kennis, alsof ze niet-weten. Zo werkt het vandaag al lang niet meer. Kennisconstructie is een proces waarin de leerkracht zichzelf riskeert. Waar jongeren mogen participeren aan dergelijk proces, inzicht krijgen in de innerlijke motivatie en het waarom van een inhoudelijke keuze, ontstaat een krachtige leeromgeving. Een leerplandoel realiseren, zonder dat de leerkracht het waarom ervan voor zichzelf helder heeft, is zoals een schip dat doelloos vaart. Dan duiken ‘sokjes – en worstenmethodes’ op. Ze simplificeren, waardoor kennis banaal en anekdotisch wordt. Leren zelfs de foute kant opgaat. De effectiviteit van de leeromgeving schuilt in het kunnen benoemen en uiteenrafelen van de manier waarop bepaalde inzichten voor de leerkracht zijn gegroeid. Dat proces in communicatie zetten opdat anderen ervan leren, veronderstelt een stevige dosis creativiteit. Het is immers de basis waaruit de systematiek van de leeromgeving blijkt.
Het brengt mij bij een derde eigenschap, typerend voor wat we onder assistentie verstaan. Het gaat om de originaliteit, om het out of the box durven gaan. Je laten verwonderen door het exploreren van verbanden en inhouden. Krachtig is die leeromgeving waarin de leerkracht jongeren laat zien hoe origineel kennis kan zijn. En vooral hoe ze zelf origineel met kennis aan de slag kunnen gaan. En daarin een actieve rol voor hen is weggelegd. Creativiteit is immers geen lineair proces.
Stilstaan bij het begrip assistentie, is de grammatica van een Don Boscoschool ontleden. Het gaat om het beter begrijpen van een dynamiek waaruit de kwaliteit van een veilige ruimte blijkt. Wat een school in mijn ogen allereerst nog altijd moet zijn. Een plek waar het goed is om te zijn en om te leren. Assistentie ontrafelen als een voortdurend samenspel tussen meesterschap, identiteit en creativiteit, is nadenken over de specificiteit van een school van Don Bosco. Dat geldt niet alleen voor de didactiek en de fundamenten van de leeromgeving. Het veronderstelt ook een voortdurend debat met de pedagogische visie. Tegelijk is het een aanzet naar een specifiek leiderschap. Assistentie gedacht als ‘kwaliteit van aanwezigheid’ doordesemt alle onderwijsprocessen, ook het schoolontwerp.
Jongeren hebben recht op kwaliteitsvol onderwijs. Dat geldt onverkort voor een school van Don Bosco. Het raakt aan wat Jan Hardy meer dan dertig jaar geleden zei en mij tot op vandaag nog altijd inspireert: ‘als ge uw vak nie kent, kunde de voor de klas niks gaan doen’. Het is die leerkracht die je je herinnert, zoveel jaar later en daarom nog altijd verschil maakt. Meesterschap is geen romantisch ideaal en heeft niets van doen met sokjes en worsten. Als lesgeven inwisselbaar wordt en scholen zich niet meer onderscheiden, ontstaat eenheidsworst. Het is de hoogste tijd dat de grammatica van een Don Boscoschool geëxpliciteerd wordt. Het debat over kennisrijke curricula en effectieve didactiek lijkt mij daartoe de ideale aanzet. Die uitdaging is niet gering. Dat was assistentie altijd al, riskant en solidair … zonder sokjes.
(*) Jan Hardy was tot begin jaren negentig docent geschiedenis aan de middelbare normaalschool Sint-Thomas (Brussel). Voor de afname van zijn laatste examendag, haalden we als student letterlijk een sofa uit de docentenkamer. Hij was ongeneeslijk ziek. Een paar dagen later overleed hij.